Douanewaarde
Ook bekend als: customs value, invoerwaarde
De douanewaarde is het bedrag waarover de invoerrechten worden berekend. In de regel is dat de transactiewaarde: de betaalde of te betalen prijs, verhoogd met de kosten tot aan de buitengrens van de EU.
Hoe bereken je de douanewaarde?
Je begint bij de transactiewaarde, de prijs die voor de goederen betaald is. Daar tel je vracht en verzekering tot de plaats van binnenkomst in de EU bij op, plus kosten die de koper buiten de factuur om heeft gedragen. Het resultaat moet gelijkwaardig zijn aan een CIF-waarde bij de EU-grens, ongeacht de Incoterm op de factuur. Kosten na binnenkomst mag je eraf halen als ze afzonderlijk blijken uit de factuur of het vervoercontract. Zit alles in een bedrag, dan accepteert de Douane de aftrek niet. Een DAP-prijs zonder splitsing laat het binnenlandse traject in de waarde zitten. Een FOB-prijs zonder vrachtfactuur laat de zeereis buiten de waarde, tot de controle. De Incoterm op de aangifte vertelt welke kant de correctie op moet. EXW, FCA, FAS en FOB: bijtellen. CFR, CIF, CPT, CIP, DAP, DPU: aftrekken wat na binnenkomst zit, als het blijkt. DDP: rechten en btw eraf, plus het binnenlandse traject. De verkeerde term op de aangifte zet die som in de verkeerde richting.
Wat telt wel en niet mee?
Meetellen doen commissies behalve inkoopcommissie, verpakking, materialen die de koper gratis heeft geleverd, royalty's die voorwaarde zijn voor de verkoop en een deel van de opbrengst dat naar de verkoper terugvloeit. Die posten staan zelden op de handelsfactuur, omdat ze via een apart contract lopen, en komen bij een controle wel boven water uit de administratie. Niet meetellen doen kosten voor vervoer binnen de EU, montage en onderhoud na invoer, invoerrechten en btw, en inkoopcommissie. Ook kortingen die op het moment van waardering vaststaan mogen eraf. Een korting die pas later wordt vastgesteld, hoort in de waarde tot hij vaststaat, en vraagt dan om een correctie. Het meest voorkomende gat is de vracht. Een aangifte met een geschat vrachtbedrag terwijl de werkelijke factuur hoger uitviel, levert een naheffing op over het verschil. Bij vaste stromen met veel zendingen loopt dat snel op. Het tweede gat zijn royalty's: ze horen erin, ze staan niet op de factuur, en de Douane vindt ze in de jaarrekening.
Wat als er geen transactiewaarde is?
Bij consignatie, monsters, retouren of transacties tussen verbonden partijen waarbij de prijs beïnvloed is, gebruik je de secundaire methoden in vaste volgorde: de transactiewaarde van identieke goederen, dan van soortgelijke goederen, dan de aftrekmethode, dan de berekende waarde en tot slot de redelijke methode. Die volgorde is dwingend. Je mag geen methode overslaan omdat een latere beter uitkomt. Een proformafactuur is geen transactiewaarde, het is een onderbouwing bij een van de secundaire methoden. Zet op die proforma een realistische waarde, geen symbolische euro, want de Douane mag een onrealistische waarde zonder meer verwerpen. Bij verbonden partijen kan de Douane de transactiewaarde verwerpen, tenzij de importeur aantoont dat de relatie de prijs niet heeft beïnvloed. Transfer-pricingdocumentatie is daarbij bruikbaar maar niet zonder meer voldoende, omdat fiscale en douanetechnische waardering verschillende doelen dienen.
Wat gebeurt er bij verbonden partijen?
Als koper en verkoper tot dezelfde groep behoren, kan de prijs beïnvloed zijn door de relatie. De Douane mag de transactiewaarde dan verwerpen, tenzij de importeur aantoont dat de relatie de prijs niet heeft beïnvloed. Dat bewijs lever je met een vergelijking: de prijs benadert die van identieke of soortgelijke goederen aan onafhankelijke afnemers. Of de prijs is tot stand gekomen volgens een methode die in de branche gebruikelijk is en die alle kosten plus een normale winst dekt. Een transfer-pricingdocumentatie is daarbij bruikbaar maar niet zonder meer voldoende. Fiscale verrekenprijzen optimaliseren de winstbelasting; de douanewaarde optimaliseert dat niet, en mag dat ook niet. Een jaarlijkse correctie achteraf op de verrekenprijs vraagt om een aparte afspraak met de Douane, anders klopt de aangegeven waarde per zending nooit. Zonder die afspraak is elke IMA van dat jaar in beginsel onjuist, en is de correctie een naheffing of een verzoek om terugbetaling over het hele volume.
Hoe onderbouw je de douanewaarde bij een controle?
De Douane vraagt bij een controle achteraf om de factuur, de betaalbewijzen, het vervoercontract en de vrachtfactuur. Die stukken moeten samen het aangegeven bedrag verklaren. Het meest voorkomende gat is de vracht. Een aangifte met een geschat vrachtbedrag terwijl de werkelijke factuur hoger uitviel, levert een naheffing op over het verschil. Een tweede gat zijn royalty's en licentievergoedingen die als voorwaarde voor de verkoop worden betaald. Die horen in de douanewaarde maar staan zelden op de handelsfactuur, omdat ze via een apart contract lopen. Ze komen bij een controle wel boven water uit de administratie. Een derde gat is een DDP-prijs zonder opbouw, waardoor rechten over rechten worden berekend. Leg per zending de opbouw vast: factuurprijs, bijtellingen, aftrekposten, Incoterm, vracht tot de grens, vracht daarna. Wie die opbouw pas reconstrueert als de Douane ernaar vraagt, reconstrueert hem uit facturen die er niet meer zijn. Bewaar de vrachtfactuur bij het MRN, niet in een algemene inkoopmap.
Hoe werkt de Incoterm door in de douanewaarde?
De leveringsvoorwaarde op de invoeraangifte is geen extraatje, het is het signaal welke kosten al in de prijs zitten. E- en F-termen stoppen in het land van uitvoer, dus vracht en verzekering tot de EU-grens moeten erbij. C- en D-termen lopen tot een bestemming, dus het deel na binnenkomst mag eraf als het blijkt. FOB is de term waarbij de bijtelling het meest routine is: factuur plus zeevracht plus verzekering. CIF is de term waarbij de factuur vaak al de basis is. DAP en DDP zijn de termen waarbij de aftrek het meest wordt vergeten, omdat de factuur één bedrag noemt. DDP is extra bewerkelijk omdat rechten en btw eraf moeten. De term op de factuur moet gelijk zijn aan de term op de aangifte. EXW Shanghai op de factuur en FCA Rotterdam op de IMA is een opbouw die niet te volgen is. De Douane volgt de aangifte, en als die niet bij de stukken past, is de waarde in een van beide richtingen fout.
Wat gebeurt er bij een te lage of te hoge waarde?
Een te lage waarde levert een naheffing op, met rente en mogelijk een boete. Bij structurele onderwaardering kan er ook een strafrechtelijk traject volgen, want het is een van de meest gecontroleerde onderwerpen bij een douanecontrole achteraf. Een te hoge waarde levert te veel betaalde rechten op, die je alleen terugkrijgt als je zelf om herziening vraagt. Gratis monsters zonder transactiewaarde ga je via de secundaire methoden, meestal de waarde van identieke of soortgelijke goederen. Een proforma met een realistische waarde is het onderbouwende stuk. Een waarde van een euro op een zending die dat niet is, is een uitnodiging tot correctie. De btw bij invoer wordt berekend over de douanewaarde plus de invoerrechten. Een fout in de waarde werkt dus door in twee heffingen. Artikel 23 verschuift het moment van de btw, niet de grondslag. Een te lage douanewaarde onder artikel 23 is nog steeds te laag, alleen merkt de Belastingdienst het later.